5.1 Doelen vve

  • Voorschoolse educatie is voor ieder kind met een achterstand (financieel) toegankelijk. 95% van de kinderen van 2,5 tot 4 jaar met een vve-indicatie gaat naar een kinderdagverblijf.
  • Kinderen met een vve-indicatie worden snel en adequaat naar een kinderdagverblijf toegeleid.
  • Ieder kinderdagverblijf biedt een integraal vve-programma aan, dat zich richt op:
    • Taalontwikkeling, die wordt gericht gestimuleerd door de beginnende geletterdheid en de woordenschat;
    • Beginnende rekenvaardigheid, zoals het leren tellen, meten en de oriëntatie in ruimte en tijd;
    • Motorische ontwikkeling; het ontwikkelen van de grove en fijne motoriek;
    • Sociaal-emotionele ontwikkeling, zoals het stimuleren van zelfstandigheid, zelfvertrouwen, samen spelen en werken en bovenal het bevorderen en verrijken van fantasiespel.
  • Aan het einde van groep twee heeft het vve-kind het niveau om groep 3 aan te kunnen, waarbij de spraaktaalontwikkeling (in samenhang met andere ontwikkelingsgebieden) het voornaamste aandachtspunt is.
  • Indien een kind aan het einde van groep twee nog niet de kennis en vaardigheden bezit om het niveau van groep 3 aan te kunnen, dan dient duidelijk te worden wat daarvan de oorzaak is en hoe dit wordt opgelost.
  • Kinderen met een vve-indicatie nemen minimaal 10 uur verdeeld over minimaal 3 dagdelen per week deel aan de voorschool bij de kinderopvang. Hiervoor gelden geen wachtlijsten. Het kabinet wil dit per 2020 uitbreiden naar een aanbod van 16 uur per week voor vve-peuters die tussen de 2,5 en 4 jaar oud. Deze 16 uur zijn niet bedoeld als opvang. Daarom hanteert het kabinet een maximum van zes uur vve per dag. Onduidelijk is nog of er uren ‘’opgespaard’’ mogen worden om deze in te zetten in de zomervakantie, om te voorkomen dat in die periode de achterstand verder oploopt.
  • Voorschoolse educatie betreft lokaal maatwerk dat afgestemd is op de wensen en behoeften van peuters en hun ouders. De kinderopvang formuleert doelen in samenspraak met ouders en het onderwijs (doorgaande leerlijn).
  • Bij gemixte groepen wordt gestreefd naar zoveel mogelijk vve-kinderen op een groep. Uit onderzoek blijkt dat de effecten van vve voor het kind met een achterstand groter zijn als minimaal de helft van de kinderen op de groep een vve-kind is. Op groepen waar dat niet mogelijk is, moet gezorgd worden dat er voldoende aandacht voor de ontwikkeling van de vve-kinderen is.
  • Ouders zijn nauw betrokken bij het traject dat de peuter volgt.
  • Kinderen met een vve-indicatie zijn voldoende voorbereid op het deelnemen aan het basisonderwijs.
  • Het aanbod voor- en vroegschoolse educatie is goed op elkaar afgestemd.
  • De voorscholen hebben het voorleesbeleid (bijlage 7) in hun organisatie ingebed en een boekencollectie in huis speciaal voor taalstimulering van vve-kinderen. Deze boekencollectie kan ondergebracht worden bij de bibliotheek en rouleren onder de voorscholen. Ook de vroegscholen nemen het voorlezen op in hun pedagogisch beleidsplan. De uitvoering ervan wordt bewaakt door een voorleescoördinator.
  • De voorscholen en vroegscholen gaan drie keer per jaar bij elkaar op bezoek en draaien mee op de groepen om van elkaar te leren en elkaar te inspireren.