Uitgangspunten

  • Het aantal peuters dat de kinderopvang bezoekt was in 2017 81%. We streven naar een bereik van 95%.
  • Bij het peuteraanbod staat niet de opvang centraal, maar de actieve begeleiding van peuters bij het spelen in een veilige, gezonde en respectvolle omgeving en de stimulering in de ontwikkeling.
  • De voorzieningen voldoen aan de gestelde eisen.
  • In het aanbod voor- en vroegschoolse voorzieningen is er ruimte voor maatwerk.
  • De voor- en vroegschoolse voorzieningen zijn een belangrijk onderdeel van het preventief jeugdbeleid en functioneren binnen de brede kaders van het jeugd- en onderwijsbeleid.
  • Opvallend gedrag wordt tijdig gesignaleerd en opgepakt. Hierdoor vergroot de kinderopvang de mogelijkheden op een goede start in het basisonderwijs en daarmee de kansen op een optimale doorlopende (ontwikkelings)lijn van ieder kind.
  • Een nauwe samenwerking tussen de jeugdarts, de kinderopvang en de basisscholen is nodig om de overgang van de voorschoolse naar de schoolse periode zo goed mogelijk te laten verlopen.
  • Elk kind dat naar de basisschool gaat, moet op het minimale startniveau in kunnen stromen. Dit betekent dat het kind de kennis en vaardigheden bezit die nodig zijn om het niveau van groep 1 aan te kunnen.
  • Het realiseren van een doorgaande leerlijn.
  • Afstemming tussen de leefsituatie in de voor- en vroegschoolse voorziening en de leefsituatie thuis.